Treesje (deel 2)
donderdag 24 december 2009
door Jaap B
De mooiste tijd waren de dagen rond Kerstmis. Dan pakte opa een lange ladder en versierde haar boom met lichtjes, van boven tot onder en dat was zó mooi, dat iedereen kwam kijken. Dan straalde Treesje van trots en keek urenlang vol bewondering naar haar vriendje, de mooiste boom die zij ooit had gekend.
Haar boom was het liefste wat zij bezat. Toen haar opa stierf was zij minder verdrietig dan toen een zware storm een van de takken van haar boom afbrak. Wat overbleef was een witte, uit de stam stekende punt, wreed afstekend tegen het donkergroen van de andere takken en dagen lang huilde Treesje om die afschuwelijke verminking. En ofschoon haar moeder haar zei dat de boom geen pijn had, bleef zij lang verdrietig en keek vol medelijden naar de zere plek, die precies naar de straat wees.
Treesje werd groter en toen zij zeven was, ging zij naar de grote school. Dan pakte zij haar fietsje en reed de tuin uit. Maar steevast stopte zij even bij haar boom, aaide hem en zei dat zij weer gauw terug zou zijn, of vertelde hem dat zij hem miste of andere kleine dingetje die haar bezig hielden. En toen brak de Kersttijd weer aan. Voor het eerst versierde ik de boom, opa was er niet meer, en haar moeder had gevraagd of ik het wilde doen. Ik deed mijn uiterste best het zo mooi mogelijk te doen, want ik wilde dat Treesje net zo trots op haar boom zou zijn als de voorgaande jaren. Na een dag ploeteren, klauteren en klimmen kon ik 's avonds tevreden zijn. De boom, Treesjes boom, straalde als nooit tevoren en toen zij uit school kwam, bleef zij met open mond en glanzende oogjes staan. Zo mooi is Boom nog nooit geweest,
hoorde ik haar zeggen en toen viel zij mij om de hals en bedankte mij dat ik haar vriendje zo mooi had gemaakt. Wat was ik toen gelukkig. En ik moest en zou de volgende dag op haar verjaardag komen. Haar moeder vond het goed en zo was ik de volgende dag, op 19 december 's middags in het grote huis en wachtte tot zij uit school zou komen.
Het was een gure, stormachtige dag. Veel windvlagen, en de regen striemde af en toe de ramen. Tegen halfvier werden de wolken donkerder en donkerder en in de verte naderde een onweer. Zal ik Treesje maar van school ophalen,
stelde ik voor, maar haar moeder zei: Ach, die honderd meter lukt haar wel.
En zo stond ik voor het raam te wachten, terwijl de bliksemschichten steeds dichterbij kwamen en de donder luider en luider werd. De wind was inmiddels nog verder in kracht toegenomen en was heel heftig toen Treesje de straat in kwam. Ik zag dat zij van haar fietsje was gestapt en zich tegen de wind in voortworstelde naar huis. Bij het zien van dat nietig wezentje, dat strijd voerde met de elementen, kreeg ik een brok in mijn keel en mijn hart worstelde met haar mee. En toen gebeurde het meest vreselijke wat ik ooit heb meegemaakt.
(morgen deel 3)