Mooi woord, vind ik, dat past bij de tijd van het jaar. Winterse kou, dichtgevroren wateren. Voor mijn deur keren de 11-stedenschaatsers nadat ze hebben afgestempeld. Nog geen wakken in het dunne ijs, deze ochtend, geen
bijt te zien. Kou in huis, ijzig zelfs: de thermostaat heeft het begeven en de monteur kan pas morgen komen. Survival of the weet ik veel.
Bijt komt van bijten, verklaart pitt. Bijten = je tanden ergens in zetten. Van diverse oude vormen onder andere: beitan, maar dat is verwant met het indogermaanse bheid, wat splijten betekent. Woorden als bijl en beitel zijn ervan afgeleid, dingen waarmee je slaat en die dus een splijting veroorzaken. Vandaar bijt: "plaats waar het ijs gespleten is"
aldus de verklaring van Jan de Vries.