Tegen het eind van de 15de eeuw was er een schipper die een vreemd loopje had. Hij had als bijnaam 'licht kooiken'. "Onder het lopen lichtte hij zijn achterste op" beschreef in 1943 R. v.d Meulen het rare verschijnsel. Een 'kooi' (het Latijnse woord is 'culus') was de holte van het
bekken. Rond 1616 zei men niet 'sta op', maar 'licht u koykin', ofwel 'til uw achterste op'. Oorspronkelijk was er dus niets obsceens aan, maar later kreeg 'licht' de betekenis van 'lichtzinnig' en indien dat vreemde loopje, het optillen van de kont typerend was voor hoeren, is de toepassing van 'lichtekooi' begrijpelijk. Andere namen voor hoeren wijzen ook in die richting: kwikkebil, wappergat en clekerbille. In Engeland noemde men zo'n vrouw een 'wagtail' (kwikstaart).
In Haaksbergen gebruikten dieven en ander
gajes de woorden: gondel of temeie en ook wel tes mem voor
lichtekooi.
De naam van de hippiemusical "Oh Calcutta", waarin veel naakt voorkwam, was gebaseerd op de Franse uitroep "Oh, quel cul tu as!" (O, wat heb jíj een kont!).